Geschiedenis
Het ontstaan van scouting in Rotterdam
In de kerstvakantie van 1910/1911 kwamen een stel jongens bij elkaar in het park bij de Euromast. Zij hadden geruchten gehoord over een nieuwe jeugdbeweging in Engeland. Ene generaal Robert Baden Powell had een boekje geschreven waarin verschillende technieken beschreven stonden die de verkenners in het leger vaak gebruikten. Zoals knopen, sporen zoeken, kompas lezen, seinen en vele andere dingen. De jongens vonden dit erg interessant en gingen die technieken zich eigen maken. Een prieel bij tollens werd gebombardeerd tot vergaderpunt en uitgangspunt. Ze gingen op hun manier oefenen, nu eens kwam de een en dan weer de ander met gegevens, die ijverig werden bekeken en dan zo goed mogelijk in de praktijk gebracht. Ze zochten echter een leider die hun kon begeleiden. Plotseling passeerde een ruiter, die naar hen toe kwam. Er ontspon zich een gesprek en onverwachts bezaten deze jongens een leider. Deze leider was De heer de Hoedt van de Heemraadsingel. Dit was het eerste begin van de padvinderij in Rotterdam. Er werden vier patrouilles gevormd met de patrouilleleiders van der Schaaf, Hackeng, Zijlstra en Voogt. De 1e kwam uit West, de 2e en 3e uit Noord en de 4e uit Oost. Op een of andere manier kwamen ze in contact met de zoon van een amanuensis van het Erasmiaans Gymnasium.
Nu brak voor de jongens een mooie tijd aan. Deze heer Strasters kende de natuur op zijn duimpje, wist met kompas en kaart om te gaan en leerde hen allerlei wetenswaardige dingen. Ze waren enthousiast. Het aantal groeide snel. De troepen werden gevormd; tamboers en hoornblazers kwamen.De eerste troep werd de groendassen. De tweede had rode dassen en zo gingen ze verder. Zondags werd van 9 uur tot 2 a 3 uur geoefend. Dit werden grote oefeningen in behendigheid, slimheid, vindingrijkheid en geoefendheid. Spelenderwijs werd het hun bijgebracht. Zaterdags hadden o.a. op het land van Tussenbroek de patrouilleoefeningen plaats. De patrouillewedstrijden kwamen hieruit te voorschijn. Kampeeroefeningen werden gehouden en toen kwam de grote gebeurtenis in het padvindersleven: "Het eerste Kamp" in Oostvoorne.
Het eerste kamp te Oostvoorne
De heer W.H. Karreman vertelt:
W.H. KarremanGaarne wil ik enige herinneringen neerschrijven uit de eerste tijd van de Padvinderij te Rotterdam, en wel over ons eerste kamp , hetwelk gehouden werd in de tweede helft van augustus 1911.
Tegenwoordig is het heel gewoon , dat jongelui 's zomers gaan kamperen. Maar in die tijd dachten de ouders er niet zo gemakkelijk over, om hun zoons voor 14 dagen aan een vreemde mee te geven. Zodat onze toenmalige leider de heer Strasters bij de ouders op bezoek ging om toestemming te vragen om de jongens voor twee weken mee naar Oostvoorne te nemen. Wat hebben we daar een heerlijke tijd beleefd. We waren ondergebracht in een grote tent die we uit eenmanstentdoeken hadden gefabriceerd. Het was wel niet erg waterdicht en tochtdicht, ook van slaapzakken hadden we nog niet veel van gehoord. De meeste van ons sliepen dan zomaar op het stro gewikkeld in de nodige dekens.
Onze avonturen begonnen de eerste nacht al. Er was loting geweest in Den Briel voor de militaire dienstplicht,en de boerenarbeiders, die daaraan mee moesten doen maakten er meestal een feest van en keerden erg laat, sommige flink in de olie huiswaarts.
Natuurlijk waren er in ons kamp ,dat in de duinen bij de boerderij van sjoukes lag, 's nachts enige wachtposten opgesteld. Midden in de nacht in het pikkedonker kwamen een paar boerenjongens met hun meisjes,allen " in kennelijke staat" langs ons kamp. En onze wachters werden van het luidruchtig gezang en geschreeuw zo zenuwachtig alsof zij vreesden, dat de veiligheid van hun slapende kameraden in gevaar gebracht werd. Een van hun beging de onvoorzichtigheid zijn elektrische zaklantaarn op het troepje te richten. Dat werkte als een rode lap op een stier en de stieren werkten zich door de afrastering heen en begonnen een aanval op onze dodelijk verschrikte wachtposten. Wij, jongens zoals ik van een jaar of twaalf, zochten al spoedig het hazenpad. Een aanvaller liep in het donker tegen de tent op,haalde een mes tevoorschijn en gaf enige flinke halen door het tentdoek, gelukkig zonder iemand van de daaronder slapenden te raken. Het werd natuurlijk een tumult van geweld, maar gelukkig dropen de heren tenslotte af, het kamp in rep en roer achterlatende.
Inmiddels hadden wij ons heil gezocht in een gangetje achter de boerderij en stonden daar opeengepakt bevend van kou of van angst. Tenslotte gingen de oudsten onder leiding van onze hopman de onverlaten achterna en keerden na een half uurtje zonder bloedvergieten terug. Toen werd er appel gehouden, en behalve , dat er enkele bij waren, die wij ervan verdachten , dat zij van angst iets in hun broek gedaan hadden, viel de schade nogal mee. Alleen ontbrak er nog een en dus werd er besloten dat er patrouilles uitgezonden zouden worden. En juist toen we daarvoor op weg wilden gaan,hoorden we uit de kersenboom een stem:"zijn ze weg al weg?" Waarmee de rust teruggekeerd was.
Over gebrek aan belangstelling hadden wij niet te klagen. Ouders en kennissen kwamen ons opzoeken en zo kregen wij ook een bezoek van de heer johan Been,bekend schrijver van jongensboeken,woonachtig te Den Briel. Hij interesseerde zich bijzonder voor onze prestaties, zoals de gegraven stookplaatsen,eetgelegenheid,enz. Hij wilde ook gaarne een oefening in de duinen meemaken. Nu waren de duinen in Oostvoorne /Rockanje behoorlijk bezet met doornstruiken en andere stekeligheden. Aangezien wij bij onze tochten door dik en dun gingen, zagen onze blote knietjes er meestal behoorlijk geschramd uit. En Johan Been, die niet groot van gestalte was, maar des te meer van omvang,werd door ons overal heen gesleept. Als we bij een prikkeldraadafzetting kwamen(wij hadden speciale toegang tot de gehele duinstreek), dan kon hij er niet door. Waarop wij hem eenvoudig met z'n allen oppakten en over de versperring heen droegen. En dat alles in de hete zon: we hadden veel plezier,maar geen droge draad aan ons lijf.
Wij hebben een tegenbezoek aan Den Briel gebracht, werden ten stadhuize ontvangen, maakten een tocht langs de bezienswaardigheden van het oude stadje, alles onder de gezellige en deskundige leiding van de heer Been. Tot slot beklommen wij de toren.
Koninginnedag,toen nog op 31 Augustus natuurlijk, moest een waardig slot van ons kamp worden.
Wij kregen voor de viering daarvan de beschikking over een kist vuurwerk. Een kampvuur met muziek, zang en voordrachten opende de avond en tot slot werd het vuurwerk afgestoken. Wij hadden alle boeren uit de buurt uitgenodigd om het feest bij te wonen en alles liep vlot. De luchtpijlen sisten en floten, de donderbussen klapten, dat horen en zien ons verging, de zonnen draaiden aan de daarvoor opgestelde palen, totdat.... een onzer vergat de kist met vuurwerk weer dicht te doen, een stuk brandende vuurpijl in de kist terecht kwam en de hele boel in brand vloog. Toen begon het knallen en de vuurpijlen vlogen in plaats van de lucht in naar links en rechts om onze oren, zelfs door de tent heen, zodat wij om erger te voorkomen niet anders wisten te doen dan het vuur te doven met grote hoeveelheden zand, bij handen en schoppen vol op het vuurwerk geworpen. Het was een hels tafereel en een droevig einde van ons mooie feest. Na afloop zagen wij zwart en geblakerd van het roet en vuil.
En zo waren deze kostelijke 14 dagen van mooi weer en veel genoegen spoedig voorbij en hebben wij allen herinneringen aan dit eerste kamp van veertig jaar geleden, waar wij oud gedienden met grijze haren of zonder haren, nog gaarne aan terug denken.
Verder
Na verloop van tijd moesten ze de heer Strasters missen, doordat deze een betrekking kreeg bij de rijksplantentuin in Indië. De heer Brus heeft het toen overgenomen. Op een gegeven moment werd de heer Zijlstra vaandrig. Onder zijn leiding lukte het om een clublokaal te bemachtigen en in te richten in een sousterain in de Vrijenbanschestraat. De inrichting was aardig en eenvoudig. De onkosten konden ze bestrijden en de stemming en saamhorigheid groeide. Na een oproep voor de militaire dienst moest de heer Zijlstra zijn functie neerleggen en werd opgevolgd door luitenant Bouwier. (1915 - 1917)
De Koedood
In de jaren hierna zijn er verschillende leiders geweest. En een ieder had weer zijn oplossing voor een onderkomen. De spelen en oefeningen werden in het begin voornamelijk buiten gedaan. Het gebied verschilde nogal Van het land van Tussenbroek waar de eerste spelen begonnen tot en met de Koedood, een gebied wat nu Pernis genoemd wordt. Ook werden terreinen genoemd zoals Rhoon/Poortugaal,Sterrebos Schiedam en Kethel/Spaland.
Een anekdote dat in de geschiedenis speelt is dat de troep op een keer wilden gaan pionieren met als doel een brug te slaan over de Koedood. Pioniermateriaal hadden ze genoeg. Maar hoe te vervoeren was de grote hamvraag. Geen nood, ze droegen het materiaal ernaar toe. Zo kon men op zondagochtend groep 1 bewonderen in een lange optocht van de Berkelse laan via tunnel Beukelsdijk naar Schiemond en toen verder naar de Koedood, allemaal netjes twee aan twee met een paal over hun schouder. Het doel was bereikt en aan het eind van de dag stond er netjes een brug over de Koedood. En een goede brug ook vlak voor de Molen. Maar 's middags ontbrak de fut om de palen weer mee terug te nemen. Gelukkig kwam er een op het lumineuze idee om de palen zolang onder de grond te stoppen en het de volgende keer weer te gaan halen. Zo gezegd zo gedaan, alles werd netjes begraven, niet te diep natuurlijk en de juiste plaats werd genoteerd..... Als je nog palen nodig hebt dan, kan je het nu nog gaan halen want het ligt er nu nog??????
De welpenhorde
Echt noemenswaardige feiten zijn er niet te vertellen. Tot in 1923, toen deed de eerste welpenhorde zijn intree in de groep. De Horde werd geleid door Akela Emmie Erwich. De eerste welpenleidster:
Er werd mij verzocht iets te vertellen over mijn leidstertijd in groep 1 en volgaarne voldoe ik aan dit verzoek, met temeer vreugde,omdat het mij weer eens dwingt met mijn gedachten terug te gaan naar een periode in mijn leven die, zoal niet van beslissende invloed, dan toch van vormende betekenis is geweest. Ik was in Zeist lid van een meisjesgilde, werd dus ook vanzelfsprekend bij onze komst in Rotterdam hier lid en eerlijk gezegd, het viel mij in de rotterdamse afdeling wat tegen.
De uitnodiging van Troep 1 om aldaar als welpenleidster te fungeren, het zal in het jaar 1922/23 geweest zijn, werd door mij dan ook gaarne aangenomen, want ik had mijn hart aan de padvinderij verpand. En het is vooral die tijd die een schat van herinneringen inhoudt. Samen met de welpenleidster van troep 4 heb ik mij op mijn taak bij troep 1 voorbereid. Samen gingen wij een paar maal op oefening en drongen wij door in de grondbeginselen waarop mijn werk in Troep 1 moest berusten.
Aldus voorbereid deed ik mijn intrede als grijze wolf. Onze stam ( een afdeling welpen heette toen nog geen horde) had twee nesten, het bruine en het grijze nest. Aanvankelijk moesten wij het zonder stamhol stellen. Want er was geen clubhuis. Later vonden we een onderdak in een sousterrain in de Berkelse Laan. Bestaat er iets gezelligers en bindenders dan samen zo een eigen hol inrichten? Van oude theekisten werden boxen gemaakt, er werd geverfd en getimmerd dat het een lieve lust was. We maakten zitbankjes en muurversierselen, het werd een echt hol, waarin we onze bijeenkomsten vaak hoogtepunten van de week werden.
Zondags trokken we meestal naar de Koedood, de onvolprezen Koedood. Bestaat er tegenwoordig nog wel zo iets fijns als de Koedood en de vlakte van Pernis onder de rook van Rotterdam? We groeven er een keuken en hielden er onze kookoefeningen, lieten er onze pap aanbranden en aardappelen tot moes koken, maar aten er lekkerder en meer dan thuis. We zochten er bloemen en planten, beslopen en beluisterden dieren en vogels.
We spaarden kwatta soldaatjes en veroverden zo een eigen voetbal, welke prompt de eerste maal de Waalhaven inging, waaruit ik hem ten koste van een nat onderstel weer opviste. We werkten met de jongens voor eerste en tweede ster, leerden schoenpoetsen, houthakken,aardappelen schillen, knopen leggen en spoorzoeken. De goede zwemmers onder de welpen gingen over naar de waterpatrouille en we waren trots op hen.
L'histoire se repète en daarom hoop ik van harte, dat iets van de prettige sfeer van 25 jaar geleden, neen niet iets, maar veel, heel veel ook nu weer de geest van de tegenwoordige Troep 1 kenmerkt. Mag dit tevens mijn welgemeende heilwens voor jullie allen zijn?
Goed Pad !
Emmie Erwich
Een eerste onderkomen vonden zij in een sousterrain in de Berkelse Laan. In 1924 kwam er weer een tak erbij. De stam werd toen opgericht onder leiding van vaandrig de Jong. De naam van deze stam is waarschijnlijk de "Grizllie's" geweest.
In 1933 ging Groep 1 zich de Lischgroep noemen naar het Lischwater, wat nu een vijvertje tussen de Bergse Laan en de Gordelweg is.
In 1937 was de wereldjamboree in Nederland. Deze werd gehouden in het Noord-Hollandse plaatsje Vogelenzang. Op dit evenement was ook de Lischgroep vertegenwoordigd.
Van 1926 tot 1938 huisde de groep op een zolder in de voorhaven 77. De Voortrekkersstam werd in deze tijd opgericht. Dit zijn dan de oudere verkenners. Zij gingen zich interesseren voor het waterwerk en schafte een grote zeesloep aan. Dit schip werd al gauw van de hand gedaan en werd er een kleinere zeilsloep gekocht. Helaas bleek de boot toen zij de helling opging in zo'n slechte staat, dat de patiënt voor de operatie overleden is.
De 2e wereldoorlog
In 1940 brak de 2e wereldoorlog uit. In het begin kon de groep nog wel doordraaien, maar in april 1941 werd de padvinderij door de Duitsers verboden. En vele leiders werden gearresteerd.Vele leden konden hun mannetje staan tijdens de oorlog. Er zijn Lischgroepers geweest, die 24 uur en langer hun toevertrouwde posten hebben bezet. Ordonnansdiensten die niet zonder levensgevaar waren, werden uitgevoerd. Tijdens de bombardementen werd er overal de helpende hand toegestoken.
Ook werd het clubhuis aan de Mathenesserdijk verzegeld. Maar dit kon niet verhinderen dat nog vele eigendommen van de groep door onder andere de heer Snoek uit het pand werden gehaald. Gered werden onder andere de tenten en het groepsvaandel.
In de jaren van de oorlog kwamen leden bij elkaar in de Eudokiawacht, waar zij samen met de leden van groep 2, 5, 6, 7, 9, 16 en 19 de brandwacht vormden.
Tijdens de bezetting werd het contact in de groep onderhouden zodat het mogelijk was een behoorlijk aantal jongens op de been te brengen na de capitulatie van de Duitse legers. Ruim voordat dit officieel bekend was trokken de Lischgroepers en andere groepen er opuit om te helpen bij de Voedseldistributie, tolk, gids, verkeerspolitie, straatpolitie, kampwacht bij de Canadezen, enz, enz.
Na de oorlog
Na de bevrijdingsroes werd vlug begonnen met de wederopbouw van de groep. De Lischgroep begon in een nieuw troephuis aan de Aelbrechtskolk. Een periode van bloei volgde en in 1946 werd er weer een eerste kamp gehouden in Aalten. Het 35 jarig bestaan werd in 1946 gevierd door het organiseren van een grote wandelmars.
In ditzelfde jaar gaf de toenmalige hopman de Heer Mooser het roer over aan de heer Snoek, wat hij tot 1955 heeft gehouden. Het 40 jarig bestaan in 1951 werd gevierd met een feestavond.
De omslag naar het waterwerk
Vanaf het ontstaan van de groep waren we altijd landverkenners geweest. Het oefenterrein lag 's zaterdags op het land van van Nelle, hoge bomen. Dat is ongeveer waar nu de Merwehaven is gegraven. 's Zondags ging de groep naar de "Koedood.", een terrein dat zijn naam dankte aan het watertje dat er dwars doorheen liep. Hier is tegenwoordig Pernis opgebouwd. Steeds meer groengebieden werden volgebouwd. En steeds kleiner werden de terreinen om het verkennen uit te oefenen. Wat er nog wel was gebleven was water. Heel veel water.
Op 10 oktober 1956 werd de Lischgroep officieel een zeeverkennersgroep onder leiding van schipper Kerkmans. Het varende materiaal wat ze tot hun beschikking hadden was 1 Surinaamse korjaal, 2 kano's in aanbouw en 1 Noorse jol.
Groen zonder watermerk staat een watergroep niet. Daarom kwam er op 24 november 1957 de ons allerbekende boei op de das.
De jaren 1958-1971
1958 werd een luidruchtig jaartje. De groep vond zichzelf zo muzikaal dat er een eigen band werd opgericht. De band luisterde naar de naam "De Boatswains".
In deze tijd had de horde zijn onderkomen in een gymnastiekzaal aan de Korfmakersstraat en de verkenners in de Pupillenstraat. De boten lagen aan de Rottemeren, wat 's zaterdags een heel eind fietsen was.
De groep begon grenzen te verleggen. Het gebied rondom Rotterdam was niet genoeg meer. Ze wilden meer. Mede daarom werd er op 24 januari 1966 een grote aankoop gedaan. Er werd een schip gekocht van het type Hasselteraak. 20,5 m lang, 5 m breed, met een dieselmotor erin van 26 pk. Het schip droeg de naam "Baukje".
M.S. Baukje
Je gelooft het misschien niet maar de groep was rond 1966 weer gedwongen om zijn pand in de pupillenstraat te verlaten en een nieuw onderkomen te zoeken.
Vele acties werden ondernomen wat helaas tot mislukken werd gedoemd. Gelukkig kwam Leo Ritmeester op het idee om een wachtschip aan te schaffen en als onderkomen te gebruiken. Dit bleek een goed voorstel te zijn, al zijn er altijd wel bedenkingen tegen dit plan zoals aanschaf geld, onderhoud en dergelijke. Maar ja, je bent een zeeverkennersgroep of niet. Dus de zinnen werden doorgezet en er werd gezocht naar een schip.
Er werden advertenties bekeken en rondgevraagd. En op een gegeven moment was er een aanbieding. Een hasselteraak gebouwd in 1904 te Zwartsluis, genaamd "Baukje"
Na de aankoop moest er nog een ander aan verbouwd worden. Vele uren werden er aan besteed. Vergeleken met de tegenwoordige schepen was alles nog vrij primitief. Zo bleek dat de wc nog bestond uit een emmer met een WC bril erop. De emmer moest dan dagelijks geleegd worden. De wc was in het vooronder onder de trap. Dus benedendeks. Als er corvee was dan was een van de vele taken de vuilniszak van de wc legen. De vuilniszak werd dan uit de emmer gehaald vol met de afvalstoffen van de inwendige mens laat ik het maar zo zeggen en werd naar boven gesleept. Soms ging dat goed en soms ging het verkeerd. Dan kon het zomaar gebeuren dat de zak met inhoud openscheurde en zich netjes verdeelde over de persoon die onder aan de trap stond. Veel hoef ik er niet over te vertellen de fantasie zegt al genoeg.
Met het wachtschip ging de groep op kamp en bevoer de wateren van Nederland. Een verhaal vertelde dat de "Baukje" ook weer eens onderweg was naar Friesland voor een zomerkamp. Helaas werd de "Baukje" lekgevaren op een zandplaat bij Urk. Er kwam een gat onder de waterlijn. Waardoor er water binnen kwam. Hierop sprong een der leden van de stam met duikuitrusting overboord om te kijken waar het gat zat. Het bleek dat het gat tussen twee platen lag. Het moest wel gedicht worden.Zoals een goede scout betaamt werd er naar een oplossing gezocht en het liefst originele oplossingen. Het idee deed zich voor om het gat te dichten met frituurvet. Frituurvet is vloeibaar maar stolt als het koud word en het is goed waterdicht. Aldus geschiedde en het lukte nog ook. Het schip werd naar Lemmer gevaren en via via werd er geregeld dat de kop van het schip volgegooid kon worden met Superbeton om het gat te dichten.
De groep groeide en had zijn topjaren in deze tijd wat de groei van de leden betrof. Er werd een meidenbak geformeerd. Helaas werd de staat van het schip steeds slechter. De gangboorden werden slecht. De motor was verouderd, je moest hem nog steeds aanslingeren. Men wou met de tijd meegaan. Alom het werd tijd voor een nieuw schip.
In 1979 werd de "Baukje" te koop gezet en verkocht voor f18000,=
In 1969 kwam er een vrouwelijk element bij de groep. Dit kwam door de samenwerking met de senior meisjes van de Wetro-groep, die wat aan waterwerk wilden gaan doen. Dit werd een hele verandering, maar toch zo gunstig dat de stam, toen de samenwerking met de Wetro-groep beëindigd werd, nog een tijd gemengd bleef draaien.
De groep had vaak uitstapjes door middel van een kamp. Maar dit jaar 1971 werd een heel bijzonder uitstapje gedaan. De groep ging op kamp in het buitenland. En dan wel in Engeland. De hele vloot behalve de "Baukje" ging mee op kamp. Dit hield in 6 lelievletten, 1 motorvlet en 2 wrikvletjes. Dit werd mogelijk gemaakt doordat een van de toenmalige leiding reder was van beroep en via zijn werk een schip kon regelen.
Onderkomens en clubhuizen
De groep werd gedwongen om de welpenhorde stop te zetten. Voornamelijk omdat ze geen onderkomen meer hadden voor de welpen. In 1972 werd de horde opnieuw opgericht met als akela Tineke Hoek. Als onderkomen konden ze terecht in een gymnastiekzaal.
Wederom begon weer een periode van verschillende gymzalen tot ze in 1974 een eigen onderkomen konden krijgen. Er werd toestemming gegeven een bouwkeet te gebruiken in Oud Verlaat. Helaas was de feeststemming van korte duur. De toestemming bleek niet zo officieel en in 1975 was het weer terug naar de gymnastiekzaalperiode.
Ook voor de verkenners was het niet zo'n goed jaar. Het Landje aan de Strekkade waar de groep al 10 jaar te gast waren kreeg een andere bestemming. De groep was gedwongen een ander onderkomen te zoeken. Een paar jaar van omzwervingen volgden met als terugvalmogelijkheid "De Baukje".
In 1978 kwam er een eind aan de omzwervingen. De mogelijkheid deed zich voor om een oud clubhuis met terrein van de Benedictus groep over te nemen. De groep vond een nieuw onderkomen in de Ringwaard.
Hierdoor ontstond er wat rust bij de verkenners en nam het ledental weer toe. Het gevolg was dat "De Baukje" te klein werd. Daarom werd er weer gezocht naar een ander wachtschip.
De tijd zal 't leren
In 1980, 14 juli om precies te zijn was het dan zover. Een nieuw wachtschip werd aangekocht om de uitbreiding van de groep op te vangen en het voormalig wachtschip de "Baukje" te vervangen.
De tijd zal 't leren kwam in het leven van de Lischgroep. Een open zandschip van 37,8 meter lang en 5,42 meter breed. Met een motor van 174 PK.
Dit was een leuk schip, maar hoe te financieren was de vraag. Het schip stond te koop voor f40000,=. Met de winst van de "Baukje" zijn er we er nog niet. Hierop werd door de toenmalige penningmeester Martin Kellner actie ondernomen. Er werden brieven geschreven naar alle fondsgevende instanties, zoals Jantje Beton, Volkskracht en zelfs de gehandicaptenvereniging. Niet dat we daar geld van kregen, maar het was te proberen. Uiteindelijk resulteerde het dat "De tijd zal 't Leren" in geheel betaald kon worden en dat de groep er weinig aan hoefde bij te dragen.
Ook hiermee ging de groep op kamp. Het eerste kamp was het nationaal waterkamp op de Kaag. Het voordeel van dit schip was dat je de vletten aan dek kon hijsen. Hoewel aan dek. Het eerste jaar zat er nog geen dek op. Dat kwam pas later. De vletten werden dan in het ruim gezet. In ieder geval je hoefde niet met de vletten te slepen.
Bij een van de bruggen werd "De tijd" te hoog bevonden en kon er niet onder. Maar ook hier kwam de roemruchte scoutingoplossing naar boven. Een heel origineel idee kwam er weer aan.
Het ruim werd met water volgegooid tot een meter hoog,waardoor het schip meer ballast kreeg en dieper kwam te liggen. De vletten die in het ruim lagen kwam op een gegeven moment te drijven. Heb je het ooit zo zout gegeten. Met alle moeite werden de vletten aan boord gehesen om niet te hoeven slepen. En dan gaan ze er nog een beetje water in het ruim laten om de vletten te laten drijven. Maar het kamp was in ieder geval geslaagd.
Ook de Tijd was aan onderhoud en uitbreidingen onderhevig. In 1983 werd er een nieuwe kraan aan boord gezet. De oude kraan werd te licht bevonden en men wou een zwaardere kraan. Met een vrachtauto is de nieuwe kraan vanuit Zwolle naar de Wijnhaven vervoerd. Met behulp van de oude kraan werd de nieuwe kraan aan boord gezet en geïnstalleerd en met de nieuwe kraan werd de oude kraan afgebroken en van boord gehesen. Een kwestie van efficiënte logistiek, nietwaar?
De tijd zal 't Leren is nu nog steeds in dienst van Lischgroep en momenteel wordt er hard aan gewerkt om de betimmering van het ruim te vernieuwen. Na twintig jaar mag dat ook wel weer eens een keer.
Eindelijk bij elkaar!
Met de Benedictusgroep, waarvan de groep de Ringwaard huurden, ging het niet goed en werd op den duur opgeheven. Toen werd het vrijspel voor de groep en werd er een tweede clubhuis gebouwd voor de horde. Op 19 mei 1984 kwam de horde vanuit Ommoord over naar hun nieuwe onderkomen."de Raadsrots"
De stichting
Wanneer de stichting werd opgericht is onduidelijk. Wel is duidelijk dat de stichting werd opgericht met als doel om de geldmiddelen van de groep te beheren. De huidige naam van de stichting is Stichting Lischgroep EA.
De naam Stichting Lischgroep is duidelijk. Maar waar staan die letters EA nu voor. Dit is een verhaal apart dat later erbij is gekomen.
In 1978 was de Lischgroep weer op zoek naar een terrein clubhuis of onderkomen. Het toeval wilde dat een der leden van de groep naar ik meen de Heer Martin Kellner een wandelingetje maakte in het berg en broekpark. Al wandelende kwam hij bij een soort buitenhuisje waar niets mee gedaan werd en meer als een soort buitenverblijf beschouwd werd door een paar mensen. Daar moet ik meer van weten moet hij gedacht hebben. Aldus ging hij op onderzoek uit. Navraag op het steunpunt leerde ons dat dit terrein oorspronkelijk van een scoutinggroep was. De Benedictusgroep. De groep was opgeheven, maar het scheen dat een paar ouders dit verblijf gebruikten als een buitenhuis. De heer Kellner heeft toen contact gezocht met de "toenmalige" schipper van de Benedictusgroep, Jaap Ambagtsheer. Hoewel de Benedictusgroep opgeheven was stond de groep nog steeds ingeschreven onder leiding van Jaap Ambagtsheer. Samen hebben ze toen de stichtingstatuten van de Lischgroep gewijzigd in een andere naam. De Letters EA werden toegevoegd en staan voor En Andere groepen. De Benedictusgroep en Lischgroep werden toen samengevoegd. Nu dit eenmaal wettelijk was vastgelegd had dit terrein zijn oorspronkelijke bestemming weer terug en moesten helaas de ouders hun "buitenverblijf" opgeven.
Sindsdien is de Lischgroep in het bezit van het landje met het clubhuis de Ringwaard en konden de welpen later hun onderkomen de Raadsrots betrekken.
De jaren 1980 - 1985
In 1982 werd de Lischgroep betrokken bij een aanvaring. De zeeverkenstersbak werd overvaren op het Veerse meer door een rijnaak. Persoonlijke ongelukken deden zich niet voor. De vlet waarin vijf meisjes zaten, werd beschadigd maar zonk niet vanwege de luchtkasten.
In 1985 kwam er een nieuw onderdeel erbij. Scouting Nederland had een nieuwe speltak opgericht voor de leeftijd van 5 tot 7 jaar. De bevers. Ook zij hadden de weg gevonden naar het landje.
Aangezien de Lischgroep zijn vaste stek heeft gevonden is er weinig te vertellen over de dwalingen van de groep.
De komende periode is er veel aandacht geweest voor de verbouwingen en uitbreidingen hetzij voor het landje, hetzij voor de Tijd. Zo valt te vermelden dat de vletten eerst met een wagentje op rails uit het water werden gehaald. Later zijn de rails wegens slijtage en doorroesten verwijderd en is er een soortement van een kraan op het landje gekomen.
1986, Groot feest, de Groep vierde zijn 75 jarig bestaan. Dit heugelijk feit werd gevierd met een reis naar Duitsland, Brexbachtal. Op de bevers na zijn alle speltakken meegegaan.
1995, De wereldjamboree is na 58 jaar weer terug in Nederland. Het jaar ervoor was een oefenkamp in Dronten met een Europese jamboree. Hier deed de Lischgroep niet aan mee. Met de wereldjamboree deed de Lischgroep wel mee in zoverre dat M.S. "De Tijd zal 't Leren" met de bemanning werd ingezet om gasten een rondvaart te geven van Lelystad naar Enkhuizen.
De grote brand
1998, De groep beleefde een drama. Na een terugkomst van het herfstkamp bereikte ons een woensdagmorgen omstreeks 06.00 uur een bericht. Het groepshuis staat in de brand. De Raadsrots werd tot de grond toe afgebrand. De Ringwaard had grote brandschade en diverse aanhangwagens waren ook afgebrand. Daar kwam nog bij dat uit de container een buitenboordmotor werd ontvreemd.
Het werd daarna twee jaar hard werken door de groep. Eerst werd de Ringwaard gesloopt. Het terrein werd schoongemaakt en vervolgens een meter opgehoogd om vervolgens plaats te maken voor een nieuw clubhuis. Ook hier staat een scout niets in de weg. We kregen geen toestemming om de units door het park te vervoeren of we moesten zoveel rijplaten huren door het hele park heen. Dit bleek voor ons veel te duur.
De Lischgroep is niet voor niets een waterwerkgroep geworden. Dus werden de nieuwe units over het water naar het Landje vervoerd. De units werden met een vrachtwagen naar de Straatweg gebracht . Hier werden ze op een ponton geladen en naar het Landje vervoerd. Geen twee clubhuizen maar een groot gebouw. Het gebouw bestond uit 10 aan elkaar geschakelde kantoorunits. Hierin werden lokalen gemaakt voor alle speltakken. Welpen, Verkenners en Wilde Vaart met een apart lokaal voor de keuken en leidingverblijf. Met man en macht werd gewerkt. Speciale commissies werden in het leven geroepen. Uiteindelijk werd dat wel minder met een vaste kern die daar hard aan werkte. Maar het resultaat kwam. Op 16 juni 2001 werd het nieuwe clubhuis officieel geopend met de naam "De Thuishaven".
In het jaar 2001 is de groep begonnen met de overschakeling van welpen naar dolfijnen. Scouting Nederland heeft weer een nieuwe speltak gelanceerd, De dolfijnen. Een variant van het welpenthema maar dan meer op het water gericht.
Clubbladen
De Lischgroep heeft door de jaren vele pogingen gedaan om een clubblad op te starten. Dit was natuurlijk weer vaak afhankelijk van de mensen die het blad wilden opstarten. Daarom is niet altijd duidelijk te vermelden wanneer welk groepsblad heeft bestaan.
In het begin werden er weekberichten door een paar jongens afgedrukt. Dit werd eerst voorgeschreven met hectografeerinkt op een papier geschreven.en dan afgedrukt op een z.g. hectografeerbak. Dan was het nog vaak moeilijk om voldoende leesbare afdrukken te maken. Na 1925 is de groep "moderner" geworden door de foliovellen te stencillen. Of dit met de hand geschreven of met een typemachine werd gedaan is niet te achterhalen. In 1938 werd er voor het eerst melding gemaakt van een maandblad. De naam van dit blad was de "Lischnieuws"
Later zijn er vele andere namen gekomen zoals "de pupil", "de scheepspraet", "maandblad van de eerste Rotterdamse groep van de vereniging der Nederlandse padvinders", "De Lischgroep", "De Zeeverkenner" De "Lischcourant", "De Hordepraet" bij de welpen en tegenwoordig is het "De Achterplascourant". Wat veel moderner is en met behulp van computer gemaakt kan worden.Maar één gebrek hebben de clubbladen door alle jaren heen gehad, namelijk gebrek aan kopij.
De Vloot
De Lischgroep was van oorsprong een landverkennersgroep. Op een gegeven moment begon het water te trekken. En dan had de groep een schip nodig of in ieder geval iets om zich op het water te begeven.
In 1938 had de voortrekkersstam een roeisloep weten te bemachtigen die weer snel verkocht werd. Later schafte deze stam een zeilsloep aan. Helaas bleek die zo slecht te zijn dat hij weer snel naar de sloop kon.
Het bovenstaande waren de eerste experimenten van de Lischgroep op het water. Een hele tijd later is het stil gebleven op het water tot in 1956 de Lischgroep officieel een zeeverkennersgroep werd.
De groep begon met 1 surinaamse korjaal, 2 kano's in aanbouw en 1 noorse jol. Later kwamen er vletten.
De argonaut is de motorvlet zoals we nu kennen. Er is ook nog een andere motorvlet geweest die eerder in eigendom van de groep was.
Behalve de vletten heeft de Lischgroep ook andere soorten schepen gehad. Zo werd ook genoemd de "Wammes Waggel" een motorbootje met een klein kajuitje erop. Waarschijnlijk een kort leven beschoren. Hij is namelijk gezonken bij de werf in 1973. De wilde vaart had toendertijd de beschikking over een stalen schouw "De Jannie" dit vlet werd gemaakt door een leerschool van de Groot en van Vliet. Te water gelaten op 30 oktober en verkocht in 1977.
Verder had de groep ook nog verschillende buitenboordmotoren die hier en daar geritseld of gekocht werden. Over de Tijd en de Baukje is al ruimschoots over geschreven.
Natuurlijk waren er in ons kamp ,dat in de duinen bij de boerderij van sjoukes lag, 's nachts enige wachtposten opgesteld. Midden in de nacht in het pikkedonker kwamen een paar boerenjongens met hun meisjes,allen " in kennelijke staat" langs ons kamp. En onze wachters werden van het luidruchtig gezang en geschreeuw zo zenuwachtig alsof zij vreesden, dat de veiligheid van hun slapende kameraden in gevaar gebracht werd. Een van hun beging de onvoorzichtigheid zijn elektrische zaklantaarn op het troepje te richten. Dat werkte als een rode lap op een stier en de stieren werkten zich door de afrastering heen en begonnen een aanval op onze dodelijk verschrikte wachtposten. Wij, jongens zoals ik van een jaar of twaalf, zochten al spoedig het hazenpad. Een aanvaller liep in het donker tegen de tent op,haalde een mes tevoorschijn en gaf enige flinke halen door het tentdoek, gelukkig zonder iemand van de daaronder slapenden te raken. Het werd natuurlijk een tumult van geweld, maar gelukkig dropen de heren tenslotte af, het kamp in rep en roer achterlatende.
Aldus voorbereid deed ik mijn intrede als grijze wolf. Onze stam ( een afdeling welpen heette toen nog geen horde) had twee nesten, het bruine en het grijze nest. Aanvankelijk moesten wij het zonder stamhol stellen. Want er was geen clubhuis. Later vonden we een onderdak in een sousterrain in de Berkelse Laan. Bestaat er iets gezelligers en bindenders dan samen zo een eigen hol inrichten? Van oude theekisten werden boxen gemaakt, er werd geverfd en getimmerd dat het een lieve lust was. We maakten zitbankjes en muurversierselen, het werd een echt hol, waarin we onze bijeenkomsten vaak hoogtepunten van de week werden.